Overzicht voor ‘tom mariën blogt’ rubriek

Trekken of schieten?

zondag, juli 18th, 2010 | Posted in tom mariën blogt | no comments »

Het is een heerlijke sport: Een balletje gooien. De worp analyseren en dan heerlijk veel tijd nemen om te recupereren. Op dat moment kan een likje Pastis wonderen doen. Het is eveneens aan te raden te spelen onder vrienden. Jeu de boules haalt de banden aan, verscherpt het sociale contact. Als u het mij vraagt: Er wordt hier te weinig jeu de boules gespeeld.
Nu het volop zomert, kan ik niet aan de lokroep van de kaatsende bal weerstaan. Ik ben als het ware verslaafd aan die typische, droge tik die twee ijzeren projectielen voortbrengen wanneer ze met elkaar in botsing komen. Ook de sierlijkheid waarmee de ballen zich door de lucht bewegen, in een licht gezwinde boog, doet mijn sporthart sneller slaan. De eerste bal is de moeilijkste, zo wordt vaak onder kenners gefluisterd. Dat is een waarheid als een koe. Maar daarmee is de kous niet af. Na de eerste bal blijft immer de cruciale vraag: Trekken of schieten? Menig speler heeft zich de foute keuze beklaagd. Jeu de boules is één vierde techniek en drie vierde strategie. Wie geen weergaloze techniek in de vingers heeft, kan zich met een feilloos strategisch inzicht toch de ware meester tonen op het veld. Dat is het mooie aan deze sport. Jeu de boules weigert het definitieve, het gooit alle registers doorlopend open. Het spel reikt telkens nieuwe kansen en mogelijkheden aan. Opgeven is vanzelfsprekend uit den boze, want alles blijft mogelijk tot en met de laatste bal. Wie zichzelf ten volle wil ontplooien, wil ik met klem een spelletje jeu de boules aanraden. U zal merken dat ik niet overdreven heb.
Tot slot wil ik de heren en dames politici van onze stad om een gunst vragen. Enige tijd geleden investeerde u in enkele speelbanen. Zou het niet mogelijk zijn er nog enkele uit de sportieve mouw te schudden? Eentje op het grasplein van het Moevement bijvoorbeeld? Of één op de weidse plek waar nu de parkavonden gevierd worden? Er zal zich niet alleen volk over onze vestenwandeling begeven, het volk zal er ook verwijlen, entre les boules et le but. En net dat heerlijk toeven scoort bijzonder goed op de kwaliteitsmeter voor een leefbare stad. Laat de ballen dus maar knallen, en dat het hele jaar door, tenminste als ik het voor het zeggen had.

voor meer lettergeknetter en taalverhaal:  http://marientom.blogspot.com

 

Over zee en tijd

zondag, juli 18th, 2010 | Posted in tom mariën blogt | no comments »
Vakantie, mooi en scherp als de rand van een mes. Mooi omdat het leven zich zacht en vermakelijk presenteert. We hebben eindelijk tijd om dat ene boek te lezen, die droomreis te maken, de zaken uit te klaren die we op een steeds groter wordende hoop hebben gegooid. Scherp en venijnig omdat de verveling elk ogenblik kan toeslaan. Ze loert om de hoek en zal niet nalaten het mes van te veel tijd in de rug te planten. Waarom zijn we nooit tevreden?
Als kind herinner ik mij de zomers als een uitgestrekte zee met schaapjes van wolken aan een azuurblauwe lucht. We speelden cowboy en indiaan, hadden zin in duizend-en-één hoorntjes met bollen van aardbei en chocola. Moeder stond te glimlachen tussen het witte linnen in de tuin, vader schreed voort op sandalen. Het huis was altijd vol licht. We joegen vlinders na met onze grijpgrage handen. We parachuteerden sprinkhanen vanuit het dakraam en zagen dat sommige exemplaren vliegen konden. We lachten waar we stonden en het was altijd 1 juli.
De zomervakantie is maar net begonnen en het eerste kwart is reeds voorbij. De afgelopen dagen bombardeerden stadions van vuvuzela’s onze huiskamers en kreunden wij onder zoveel droogte en vocht. En toch wil ik het glas heffen, op dat ene boek dat ik ga lezen, op de droomreis die ik maken zal en op die enkele zaken die ik wil uitklaren. De zomers van nu kunnen de zomers van toen niet zijn. Geef mij nog zo een glas en ik kan er mee leven. We hebben immers alle tijd.

Ondertussen in het zomerse Lier …

donderdag, juli 15th, 2010 | Posted in gekke wereld, opmerkelijk, tom mariën blogt | no comments »

‘Terwijl wij uw karretje op de rollen zetten, kan u misschien die glimlach van uw mond halen. Wij doen gewoon ons werk, meneer.’

Hard op de tong met Jokke Schreurs

woensdag, juni 2nd, 2010 | Posted in tom mariën blogt | no comments »

Dinsdagavond 8 juni treden Tom Marien en gitarist Jokke Schreurs op in café

RoodWit te Berchem. Deze avond wordt georganiseerd door de vzw De Boog. Op www.boog.be vindt je alle nodige info over het optreden en de Antwerpse organisatie met een hart voor muziek en de knetterende letteren.
De liefde voor het alfabet staat centraal in het woordprogramma Hard op de tong. Zoals Schreurs verknocht is aan zijn snaren, zo is Marien verknocht aan de betoverende letterreeks die het begin en het einde van onze taal vormt. Letters immers zijn tot van alles wat in staat. Zij doen zalven en slaan, hotsen en botsen.
Marien laat het achterste van zijn tong zien. Hij leest en draagt voor uit eigen werk. Hij verhaalt over de wereldberoemde Slinger van foucault en zijn ontmoeting met Harry Mulisch. Met rake melodieën begeleidt Scheurs de voordracht.
Samen willen de heren Marien en Schreurs de kracht van woorden be-schrijven en be-zingen. Zwijgen is voor hen geen optie.
foto:kwestion.be

Liefde in tijden van crisis

woensdag, oktober 28th, 2009 | Posted in tom mariën blogt | 1 comment »

De fatale filosoof

Max Jespers praat over vrouwen als over pralines. ‘Heerlijk zijn ze,’ zegt hij waarna hij van zijn vuurrode Madiran nipt.
Ik hang aan zijn lippen. Elke maand ga ik met deze fatale filosoof op restaurant. Vanavond zouden we het over de liefde hebben. Beter, vanavond zou hij het over de liefde hebben. Mijn rol op zulke gelegenheden is heel gering. Ik beperk me altijd tot luisteren, Jespers voert het hoge woord.
Hij klapt een glanzend doosje open en schuift een kleurloze filter tussen de vingers. Als de bliksem reik ik vuur aan. Hij zuigt zijn longen vol rook en bedankt met een knikje.
‘Je moet eerst goed weten wat je wil,’ orakelt Jespers. ‘Zoek je zoete melkchocola met gracieuze aardbeivulling of heb je ‘t meer voor de strenge chocolat noir, verzacht met een tedere praliné?’ Hij kijkt me aan om het belang van zijn vraag te onderstrepen. Vervolgens neemt hij een trek en schiet een rookwolk naar de hemel.
‘Maar let op, jongeman. Men kan zich vergissen. Neem nu karamel. Karamel is goed voor snoepjes en snoepgoed plakt aan je tanden. Voor je ’t weet bederven je tanden. En geloof me, prettig is anders. Ik heb op dat vlak mijn deel wel gehad.’
Jespers drinkt van zijn Madiran en tikt een askegel in de asbak. De korte onderbreking moet mij de gelegenheid geven zijn theorieën te beamen. Ik kuch wat geforceerd.
‘De praline moet in de eerste plaats gegeten worden,’ vervolgt Jespers. ‘Waarom heet die anders delicatesse? Liefde moet je proeven.’
Ik knik, hij zwijgt. ‘U hebt gelijk,’ probeer ik, ‘volkomen.’
Dan schuift de gastspreker zijn stoel aan de kant, traag en bedachtzaam. Vanuit zijn nieuwe positie neemt hij opnieuw het woord. ‘Wie uit enkele pralines een keuze mag maken, kiest er eentje die hem aanspreekt in al haar facetten: vorm, kleur en vermoedelijke vulling. Zomaar bijten getuigt van weinig respect. Zo’n barbaarse daad wordt hoe dan ook bestraft. Zure oprispingen, darmkrampen, noem maar op.’
Jespers is een goed redenaar. Dat spreekt uit alles wat hij doet: hij houdt oogcontact met het publiek, hij gebaart sierlijk en functioneel, zijn stiltes worden perfect afgemeten en zijn stem charmeert en bezweert.
‘De praline smeekt om het woord,’ beweert hij. ‘Het gevleugelde woord zal het dapper pantser doen smelten om hemelse harmonieën van smaak en geur te bevrijden. De praline eist poëzie. Daar heeft zij recht op. Lyriek in de mond beloont lyriek uit de mond. Men raakt het opperste genot, het kleine sterven, het hoogste goed. Vrouwen zijn pralines, de liefde is van chocola.’
Max Jespers dumpt zijn filter. Met beide handen wrijft hij zich over de dijen en heft vervolgens het glas. En terwijl Jespers drinkt, weet ik geen zinnig woord uit te brengen. Deze man draagt al mijn bewondering weg. Ik wil hem voor het nieuwe heldendom voordragen. Leve Max Jespers, de fatale filosoof!

Ik betreed het drankhuis waar ik met een aantal vrienden rendez-vous heb. Terwijl ik de deur achter me sluit, repeteer ik zenuwachtig enkele gedichten. De vorige dag bracht ik met mijn neus tussen centimeters vurige verzen door. Max Jespers had me immers geleerd dat het woord de sleutel tot succes betekende bij het vrouwvolk. Vanavond moet het hier maar eens gebeuren. Met minder dan de liefde neem ik geen genoegen.
Ik observeer het volk en het gelag. De mannen hijsen liters bier, de vrouwen nippen met stijl van hun glaasje witte wijn of gaan door hun veelvuldig gekamde haren.
Die avond hangen mijn vrienden aan mijn vochtige lippen. Met een goudgele pils in de hand doe ik mijn restaurantbezoek met Jespers uit de doeken. Af en toe glimlacht er een meisje naar mij. Telkens begint mijn tong te branden van verlangen en telkens laat ik pils aanrukken om het brandje te blussen. Ik krijg meer en meer zin in een brokje chocola met borsten en benen.
Na mijn zoveelste biertje houd ik het niet langer. De verzen in mijn hoofd schreeuwen om verlossing. Voor ik het goed en wel besef, sta ik op een houten tafel. Als een scepter zwaai ik mijn glas bier in het rond. Dé klassieker van Willem Kloos ratelt uit mijn mond. De herrie verstomt en alle aandacht richt zich op mij.
Na mijn diepe gedachten wordt er luid geapplaudisseerd. Naar het einde toe wordt het applaus echter overstemd door een éénmansslogan uit de hoek van het café. ‘Kloos mijn kloten!’ roept een man.
Razendsnel pareer ik zijn scherpzinnige uitval met een derde gedicht voor Maria Magdalena. In nood doet een Paul Snoek het immer goed. ‘Liefste met je lichaam medeplichtig/aan de schuld van dit gedicht/…’ Plots kantelt de tafel waarop ik sta en een houten stoel breekt mijn ongelukkige val. Met de stoel onder mijn armen lig ik verkrampt op de grond. Even denk en voel ik niets meer. Enkele tellen later komt mijn denken weer op gang. Versuft prevel ik: ‘Een Klooshater heeft het blad gelicht en ik verloor mijn evenwicht.’ Ik huiver en open mijn ogen. Een gevoelig meisje buigt zich moederlijk over me heen. Teder vraagt ze of het een beetje gaat.
‘Tuurlijk gaat het,’ sloof ik me uit en alsof er niets gebeurd is, sta ik op, de pijn aan mijn borstkas verbijtend. Vervolgens begeef ik mij samen met haar naar de toog en bestel tweemaal een vuurrode Madiran. Omdat de liefde zo nabij is en de dichter in mij verre van dood.

Tom Marien

Een nieuw jaar, een Nieuwe Man (weer zo één!)

donderdag, januari 1st, 2009 | Posted in tom mariën blogt | no comments »

 Het is zover,’ zei mijn vriend. ‘Ik heb geïnvesteerd in een geurtje. Ik ben een Nieuwe Man.’
 Tja, weer zo een, dacht ik bij mezelf. Als dat zo doorgaat, houd ik geen vrienden meer over. Het is heden ten dage blijkbaar bon ton om jezelf met parfum te besproeien, over je gevoelens te praten en indien nodig een heleboel tranen te storten, liefst en plein publique. Dan ben je dat soort van man dat, voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid, in staat wordt geacht met vrouwen te kunnen communiceren. Zij zullen je begrijpen, je graag zien om wie je werkelijk bent, want echte schoonheid zit vanbinnen en nog meer blablabla, maar zo goed als geen boemboem.
 Nee, niets voor mij. Ik blijf liever rauw, ongepolijst. Ik scheer mij nog nat, met schuim en scheermes. Ik praat niet over wat ik voel, ik voel toch niet. Ik loop –te vaak misschien- mijn kloten achterna. Met wisselend succes weliswaar, maar ik ben tenminste een man. Oh ja, ik drink wel eens te veel en dan hang ik boven de pot, maar ik weet tenminste wat een kater is. En zijn het niet de katers die de poezen pakken?
 ‘En welk geurtje heeft meneer dan in zijn nek plakken?’ vroeg ik mijn vriend, terwijl ik sterk begon te twijfelen of hij mijn vriend nog was. Uiteraard liet ik niets merken van mijn onzekerheid, want twijfel is voor sissies en dat ga ik uit de weg zoals alleen echte mannen twijfel uit de weg kunnen gaan.
 ‘Gewoon, de nieuwe Hugo Boss.’
 ‘Ah, de nieuwe Hugo Boss,’ mompelde ik. ‘Zo zo.’ Even doken de woorden weer op van mijn nonkel Hugo’s aandoenlijke speech bij ons laatste familiale samenzijn, een koffietafel weliswaar. Als een echte man immers had mijn nonkel Hugo bijzonder teder gesproken over zijn overleden vrouw, mijn tante Maria. ‘Toen ik wakker werd,’ zo sprak hij dapper, ‘lag ze naast het bed en dat deed ze anders nooit. Dus ik had meteen in ’t snuitje dat er iets niet klopte. En dat bleek haar hart te zijn. Ze wist nochtans goe dat ze op hare suiker moest letten, en die zak nougat en dat half pond spekken zullen haar geen deugd hebben gedaan. Maar ’t is maar ene keer foor op een jaar en ’t mag iet hebben, dachten wij allebei. Blijkbaar hebben we dat verkeerd gedacht. Ach, lieve Maria, het gaat u goed daarboven. ’t Is ’t hopen dat ge daar nougat en spekken kunt eten zonder erbij neer te vallen, of uit uw bed.’ Ach, van mijn nonkel Hugo kon ik nog veel leren. Dat stond als een paal boven water.
 ‘Kathy en ik hebben ons trouwens ingeschreven voor een lessenreeks partnerdansen op beginnersniveau.’
 Wablief, dacht ik, maar dat zei ik gelukkig niet. In plaats daarvan dacht ik aan de grootste verschrikking op dansgebied, nl Dirty Dancing. Ik hou hoegenaamd niet van Dirty Dancing. Ik walg er gewoon van. De manier waarop die Patrick Swayze van katoen geeft, doet me kokhalzen. Swayze is gewoon een strandjanet en daarmee is de kous af. Ok, hij heeft misschien meer spieren dan mij, maar ik geef tenminste geen dansles. Dansles geven is voor mietjes. Net zoals jezelf besprenkelen met parfum en over je gevoelens praten.
 ‘We kunnen natuurlijk ook samen gaan dansen? Waarom doen jij en je vrouwtje niet gewoon mee?’
 ‘Euhh…’ was het enige wat ik wist uit te brengen, want zoiets vraagt men natuurlijk niet aan een echte man. ‘Wel…, het zit namelijk zo…’
 ‘Hoe gaat het eigenlijk met je vrouwtje? Alles een beetje ok?’
 Wow, time-out vriend, kwam toen spontaan in mijn gedachten op. Ik heb niet één vrouw, ik heb er velen. Ik bemin ze allemaal, zolang ze maar een lekkere kont hebben en een balkon. Ik ben ook erg in ze geïnteresseerd, tot ik ze na één nacht uit mijn bed sjot, want deze jongen laat zich niet zomaar vangen. En denk nu maar niet dat ik bindingsangst heb. Ik wil gewoon vrij zijn, dat heeft niets met angst te maken. Angst hebben is iets wat ik totaal niet ken. Dat klinkt misschien gevaarlijk, maar ‘living on the edge’ is wel bijzonder toevallig op mijn lijf geschreven.
 Ik had trouwens ook schoon genoeg van het geleuter van mijn vriend, die al lang mijn vriend niet meer was. Ik haalde diep adem om die gast eens goed de les te gaan spellen. Ik zou het hem allemaal eens goed in zijn gezicht gaan wrijven, dat van dat zielig parfumgedoe, dat van dat danspasjesgezeik, en al dat gelul over hoe het gaat met Janneke en hoe Mieke het maakt. Dat moest hier maar eens gedaan zijn met het uithangen van de Nieuwe Man. De Nieuwe Oetlul ja, dat zou hem beter passen.
 Net op dat ogenblik klikte een sleutel in het slot en hoorde ik een bekende stem “Ik ben thuis!” roepen. Nog geen tien tellen later verscheen een even bekend vrouwtje dat me bescheiden op de mond kuste. ‘Mmm,’ zei ze en ze stak haar neus in de lucht. ‘Ik ruik de nieuwe Hugo Boss. Klasse.’ En ze knipoogde naar de oetlul die tegenover mij zat. ‘Morgen koop ik voor jou de nieuwe Armani, schat,’ zei het vrouwtje tegen mij. ‘Die robuuste geur zal jouw zachte karakter perfect aanvullen. Ik heb trouwens telefoon gekregen van Kathy.’ De oetlul over mij spitste zijn oren. ‘Ze vroeg me of we misschien samen met hen danslessen wilde volgen. Ik vond dat best een leuk idee en heb ons meteen ingeschreven voor de eerste lessenreeks. Leuk he, liefje?’
 ‘Ohh…’ kreunde ik, terwijl mijn hartspier in elkaar kromp en ik even geen adem meer halen kon.    

Tom Marien

Kijk eens naar omhoog – 23 novembergedicht

dinsdag, november 25th, 2008 | Posted in tom mariën blogt | no comments »

in dit gedicht valt sneeuw
witter dan wit weidser
dan een vergezicht

en toch mijn kloten krimpen
en tanden rillen sneeuw is
altijd kouder dan ik zou willen

Tom Marien

stadsgedicht

zondag, november 23rd, 2008 | Posted in tom mariën blogt | 1 comment »

zo nu en dan plant ik mijn handen aan uw waterloop
doorploeg uw smalle straten als lang verleden velden
en graaf koortsig in uw polderland van zand en brak moeras

zo nu en dan kom ik altijd hand en span te kort
ontbreekt mijn been een strakke teen mijn ruggengraat
een wervel om mijn vege lijf als een zilveren knoop
rondom u en ons te leggen

want telkens ik de vlakten doorkruis
van uw kinderkopkespleinen breekt gij
de keien uit uw perken en loopt op mijn zaak vooruit

zelfs bij het wassen van uw water
zwelt mijn lofzang ademloos
tot mijn lippen niet langer kirren
en mijn lied in paniek verzuipt

gij draait en keert te veel van hoek en boek
te buiten en zelfs in tijden van alles druipt nu
regen en de regen druilt nu hier altijd
brandt gij het licht uit loden luchten
en te doven komt het niet

en daarom
onthuisd is mijn hoofd ontvolkt ben ik
van woorden uitgewrongen en gemolken
van lettergreep en klankenkast ontbeend
van lied vervreemd van lust
hangen mijn ledematen
als slangenhuid te drogen

gij stad van binnenneet en voetballeed
krakeleert de schubben van mijn huid 

geen ander is mij meer dan gij
kleeft aan mijn bleke huid
als koren aan de aren

Tom Marien


GEDICHT MET SMAAK

zaterdag, november 22nd, 2008 | Posted in tom mariën blogt | no comments »

art
is
sjok
zei ze
en ze sneed de groente beleefd
in twee

haat
is
wrok
wist ze
en wat moest ze daarmee

nu veegt ze haar mond koket
met servet

kunst
dient
tot
niets

verzen
bederven
de smaak

ze lacht haar tanden
glanzen haar hand belet
elke vorm van verzet
is vragen om haat

art
is
sjok
zegt ze nog
en vervoegt een woord
bij de daad

Tom Marien

Bloemen noch kransen

dinsdag, oktober 28th, 2008 | Posted in tom mariën blogt | no comments »

Alles liep nochtans gesmeerd. Ik had mijn volledige to do-lijstje zo goed als afgewerkt: rapporten maken,  bladeren van de stoep ruimen, goed boek in huis halen en gammakortingbons verzamelen. Verder waren bijna alle voorbereidingen getroffen om Operatie Isover 40 Classic Performance (codenaam voor het eigenhandig isoleren van de zolder) tot een weergaloos succes te maken. En net dan, o ironie, sloeg het leven bikkelhard toe. Een zeer mooi en gezond exemplaar uit de prijsbeestcategorie van de blauwe geschelpten vloog zich te pletter tegen het buitenraam van de veranda. Het leven, dat in normale omstandigheden koerde alsof het een lieve lust was, was in één klap voorbij. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat het net meer dan één was. Ik telde namelijk twee klappen: één ongenadig harde tegen het verandaraam, onmiddellijk gevolgd door één ongecontroleerde tegen een stoelpoot die vlakbij de veranda was neergeplant, waarna dit anders zo elegante stuk gevogelte er definitief het kopje bij neerlegde. Omdat niets menselijk mij vreemd is, welden er net na het getuige zijn van dat donzige sterven enkele existentiële vragen op: Waarom moet zo’n tortel nu zo wreed aan zijn einde komen? Wie of wat beslist er over dat begin en einde? En waarom kuist liefje onze ruiten altijd zo goed? En zou dat beest nu te vreten zijn of niet? Liefje en ik besloten echter om geen enkel risico te nemen en om de volksgezondheid niet onnodig in gevaar te brengen besloot ik de schop er snel bij te halen. Duif rust nu vredig in de schaduw van onze enige boom, op enkele meetlatten afstand van Mereltje. Mereltje is een heel ander verhaal, ware het niet dat ook zij in onze tuin aan haar einde is gekomen.
Tijdens de maand juni ontdekte ik Mereltje achteraan tussen de struiken van diezelfde tuin. Ze was zeer jong, maar kon toen reeds trippelen als de beste. Haar vleugels waren nog niet volgroeid. Mereltje moet zowaar het stereotiepe voorbeeld van een uit-het-nest-gevallen-vogeltje zijn. Zij had echter het geluk om bijna dagelijks gevoed te worden door een van haar ouders en wat zij op dat gebied tekort kwam pasten liefje en ik wel bij. Op een onweerachtige avond in augustus bevond Mereltje zich op een plek waar ze anders nooit kwam. In een hoekje van ons terras zat zij zielig haar bekje open en toe te doen, terwijl haar vege lijfje trilde als de vleugels van een dol. De in water gedrenkte broodkruimels die ik in haar bekje probeerde te proppen brachten geen zoden meer aan de dijk. De volgende ochtend lag zij zo stijf als een hark in haar hoekje. Een kolonie mieren wilde net een opruimactie gaan starten, toen ik Mereltje van de stenen schraapte en in haar putje mikte.
Het einde van Duif en Mereltje kadert misschien prima binnen de tijd van het jaar, het is echter een gegeven waar ik ongemakkelijk en stil van word. Ik weet het wel, begin en einde zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Je kan het ene niet hebben zonder het andere, zelfs als je, zoals ik, erg je best doet om het andere te vergeten. Ik ben immers niet klaar met het gegeven sterven en wil er daarom ook niet aan denken. Ik houd mij liever vast aan de gedachte dat er na het vallen van een donker blad opnieuw een nieuw en fris groen blad verschijnt. En na het ingaan van de vroege nacht, komt altijd weer de zon op. Alsof er niets gebeurd is, alsof Duif en Mereltje nog altijd koeren en kwetteren. Tenslotte is dat ook een beetje zo, de twee zingen en wonen verder in het hart en de herinnering van liefje en ik. Sjalom, gevleugelde broeder en zuster! Vliegt en fladdert, tsjilpt en trippelt, alsof het nooit anders geweest is en zal zijn!

Tom Marien uit de MERELstraat (O ironie!)

Ps: bij de foto hoort een spelletje voor amateur-ornitologen –> zoek de afdruk van Duif in het verandaraam